En toen mocht/moest ze meedoen.

Dance&Dare SummerSchool

Show Me by The100Hands, © William van der Voort

 

Elske van Lonkhuyzen ging naar een interactieve performance. 
En toen mocht/moest ze meedoen.

Tekst: Elske van Lonkhuyzen

Sinds een jaar gebruik ik de meditatie-app Headspace. Er zijn verschillende reeksen van geleide meditatie die je kan volgen, afhankelijk van waar je aan wilt werken. Ik rondde Basics 1, 2 en 3, Zelfwaardering, Vrijgevigheid, Rusteloosheid en Vriendelijkheid af en ben nu voor de tweede keer bezig met Acceptatie.

Onderdeel van die reeks is dat je jezelf vraagt: ‘Tegen wie of wat verzet ik me op dit moment in mijn leven?’ Het idee is dat je je weerstand alleen kan loslaten als je je er bewust van bent.

Ik verzet me tegen veel dingen.
Ik verzet me tegen vertraging, ren om de trein te halen en ben boos als de trein zelf vervolgens vertraging oploopt en ik mijn aansluiting mis.
Ik verzet me tegen aansluiting met de zwetende man naast me op het perron en kijk weg als hij oogcontact zoekt.
Ik verzet me tegen het oogcontact dat drie danseressen me vragen te maken met een vreemde als ik – net op tijd – aankom bij de interactieve performance Show Me van The100Hands.

Ik loop net als de andere leden van het publiek door de ruimte. We mogen zelf bepalen hoe we lopen en waar we ons opstellen. We mogen zelf kiezen met wie we oogcontact maken, zolang het maar een onbekende is. Mijn ogen dwalen rond tot ik een ander paar ogen vind. Ze zitten in het hoofd van een kale dertiger die me doet denken aan mijn bovenbuurman Frank.
De opdracht is dat we elkaar blijven aankijken. Ik denk aan mijn vroegere colleges Sociale psychologie: ‘Maak je langer dan een fractie van een seconde oogcontact dan wordt het liefde of vechten,’ zei de hoogleraar.
Franks ogen schieten, net als de mijne, af en toe weg. Er ontstaat meteen iets van een machtsrelatie. Wie kan of durft het langst te kijken, zonder zenuwtrekjes, zonder schichtigheid, zonder met de voeten te bewegen? Ik lijk op zeker moment aan de winnende hand. Dat wil ik niet. Ik probeer geruststellend te kijken, een knikje. Ik krijg een knikje terug.

Ik vermoed dat er mensen zijn die een oefening als deze luchtig en nieuwsgierig tegemoet treden. Die mensen staan waarschijnlijk sowieso heel fris en onbezorgd in het leven. Mijn zwager is zo iemand. Hij zou dit ook ongemakkelijk vinden, maar dat meteen zeggen en het op een bepaalde manier ook grappig vinden. Ik vind het niet grappig. Ik vind het confronterend dat ik niet op mijn zwager lijk.

Ik ben me nog volop met mijn eigen weerstand aan het verzoenen als de dansers zeggen dat we voor elkaar mogen knielen als we benieuwd zijn naar een ander perspectief op elkaar. Als je besluit te knielen, doe je dat om beurten en je mag zolang geknield blijven zitten als je zelf wilt. Ik wil niet knielen. Dat komt vooral omdat ik denk dat degene die dat doet met zijn/haar gezicht ongeveer op kruishoogte van de ander zal uitkomen en we staan vrij dicht bij elkaar. Ik besluit zelf alvast niet te knielen en hoop vurig dat Frank dat ook niet doet.
Hij knielt toch, dat heb ik natuurlijk niet in de hand. Ik stel opgelucht vast dat hij naar achteren leunt om oogcontact te houden en dat ik me redelijk ontspannen voel. Als hij weer opstaat, is de oefening afgelopen.

De danseressen gaan verder. Ze lopen rond, doen een vrolijke dans-act, maken selfies. Achter een gordijn wordt een borst ontbloot. Er wordt aan het publiek gevraagd een identiteit voor een van hen te construeren, puur afgaand op uiterlijk. ‘Hoe heet ze?’ ‘Waar komt ze vandaan?’ ‘Zou je haar je geheimen vertellen?’ Ik heb het gevoel dat we lukraak wat zeggen. ‘Anna.’ ‘Slowakije.’ ‘Nee.’
Een microfoon onder mijn neus.
‘Waarom niet?’
‘Ik vertel niemand zomaar mijn geheimen.’

Ik vind het moeilijk mijn aandacht bij de performance te houden. Bij elk onderdeel mag ik zelf bepalen waar ik in de ruimte ga staan. Ik sta nog steeds in de buurt van Frank. Niet te dichtbij, zodat hij niet denkt dat het oogcontact van daarnet hem verplicht tot iets, maar ook niet te ver weg, zodat hij niet denkt dat ik hem stom vond en snel weer weg wilde.
Ik heb het verschrikkelijk druk met de vrijheid die ik gekregen heb. Ik kan rechtop staan (rugpijn), met mijn handen in mijn zakken (warm) of met mijn armen over elkaar (gesloten houding, terwijl ik openheid wil uitstralen). Langs de kant (te ver van Frank), in het midden (misschien in de weg), stil (warme voeten) of beweeglijk (trekt de aandacht).

Show Me by The100Hands, © William van der Voort

 

Ik denk aan een goede vriend die als hij komt logeren al onze melk opdrinkt. Hij is vrolijk en ontwapenend. Hij heeft er geen moeite mee te vragen wat hij wil. Hij vraagt of hij de laatste aardappels mag, of de muziek harder kan, of ik zijn voeten wil masseren. Ik ben vrij om nee te zeggen, en toch, als hij er langer dan een etmaal is begint er iets te wringen. Ik krijg dan eerst een afkeer van mezelf om de vele keren dat ik nee zeg en daarna een afkeer van de vragen, die mij weliswaar vrij laten in mijn antwoord, maar wel een antwoord afdwingen.

Ik besef in de zaal dat mogen niet het juiste woord is voor wat hier aan de hand is. Ik mag niet zelf bepalen waar ik sta en hoe, ik moet het zelf bepalen, want er zijn geen vaste zit- of staplekken. En daarna besef ik dat moeten toch niet het juiste woord is, want ik ben hier vrijwillig. En meteen daarna: moeten is wel het juiste woord, want dat is de afspraak van het theater. Natuurlijk kunnen we de regels van het theater aan onze laars lappen. Ik kan langs de kant op de grond gaan zitten, ik kan door de ruimte rennen, al jodelend, mijn armen klapwiekend door de lucht, ik kan weggaan. Maar er is een verschil tussen een mogelijkheid hebben en er daadwerkelijk gebruik van maken.

De danseressen vragen een jongen zijn T-shirt uit te trekken. Daarna of het publiek hen in verschillende houdingen wil zetten: sterk, opwindend, kwetsbaar. Het duurt elke keer even voordat iemand zich opwerpt. We hebben veel aanmoediging nodig.

We moeten nog een keer oogcontact maken. Met een nieuwe vreemde. Frank valt dus af. Na een halve minuut door de ruimte te hebben gelopen, vind ik een oudere man die er net zo verloren uitziet als ik me voel. Van elk duo moet de een stil blijven staan terwijl de ander om hem heen loopt en hem bekijkt. Eerst alleen het gezicht, maar met een vingerknip kan de stilstaande persoon kenbaar maken dat de ander ook de rest van zijn lichaam mag bekijken.
Zodra de man met zijn vingers knipt voel ik me min of meer verplicht. Ik scan de rest van zijn lichaam eerder uit beleefdheid dan uit interesse.

De stilstaande mensen krijgen de uitnodiging meer van zichzelf te laten zien. ‘Je kan bijvoorbeeld je schoenen en sokken uittrekken,’ oppert een van de danseressen. Er ontstaat onmiddellijk beweging. Overal blote voeten. Het is warm in de zaal. De man houdt zijn schoenen aan. Ik heb meteen hypotheses. Hij heeft kalknagels. Hij vindt dat zijn voeten stinken. Zijn vrouw heeft het ook tegen hem gezegd: ‘Ted, je voeten stinken.’ Hij heet ineens Ted. Ik vind het goed dat Ted zijn schoenen aanhoudt, het is zijn volste recht. ‘You go Ted’, denk ik.

‘Je zou ook de mouwen van je overhemd kunnen oprollen’, zeggen de danseressen. Ik heb het idee dat Ted alleen het woord overhemd heeft opgevangen, hij tilt een punt van het zijne op waardoor een stukje van zijn witte buik zichtbaar wordt. Hij staat er wat verkrampt bij. Ik weet vrijwel zeker dat hij dit nu doet omdat hij net zijn schoenen heeft aangehouden. Dat hij niet te vaak nee wil zeggen en het gevoel heeft dat hij bij me in het krijt staat. Hij doet iets waar hij geen zin in heeft zodat ik iets kan doen waar ik geen zin in heb, namelijk naar dat witte stukje buik kijken, wat ik natuurlijk – uit beleefdheid – wel doe.

Ik denk aan als laatste gekozen worden met gym.
Ik denk aan subtiele manieren om iemand te kwetsen.
Subtiele manieren om gekwetst te worden.
Je overleeft zoiets wel, maar wat leer je ervan?

Aan het einde van de voorstelling kleedt een van de danseressen zich uit. De andere twee geven een rondleiding over haar lichaam, alsof het een planeet is. Moedervlekken zijn dorpen, plukjes haar zijn tropische regenwouden. Er zijn bergketens en glooiende hellingen. Het lichaam is mooi en niet erotisch geladen als je er op deze manier naar kijkt. Mijn gedachten komen een beetje tot rust, maar beginnen weer te ratelen als ik naar de mannen in de zaal kijk. Veel oudere mannen die wat naar voren zijn geschoven om het allemaal goed te kunnen zien.

Een paar dagen later zie ik mijn liefje. Ze vraagt hoe de voorstelling was. Ik vertel over de opdrachten.
‘Dat is geen theater meer, dat is therapie’, zegt ze streng.
Ik moet lachen. ‘Een beetje wel.’

‘Was er nazorg?’
‘Na afloop kon je met de dansers praten. Ze waren heel aardig. We waren met een groepje uit het publiek. Iemand was heel dankbaar, een ander zag wel tweehonderd voorstellingen per jaar en had veel ongemakkelijker interacties meegemaakt. Weer een ander had geflirt tijdens het eerste rondje oogcontact en was daar heel tevreden over. Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen.’
‘En nu, wat zou je nu zeggen?’
‘Dat ik de samenhang tussen de onderdelen van de voorstelling wel heb gezien: het ging steeds om kijken en bekeken worden. Veel of weinig van jezelf laten zien. Veel of weinig van de ander willen zien. Ik zag de samenhang, maar omdat ik zelf steeds mee moest doen, kreeg ik weinig van de voorstelling mee. Alsof het participeren een rookgordijn opwierp tussen mij en wat er verder gebeurde. Toen ik eenmaal op deze manier onderdeel was gemaakt van de show kon ik alleen nog naar mezelf kijken. Ik zonk weg in mijn eigen geest.’
Ik kijk naar mijn nagels. Ze zijn weer te lang.
‘Ik moest aan jouw broer denken,’ zeg ik. ‘Die had na afloop waarschijnlijk iets gezegd als ‘lachen joh’ en was een biertje gaan drinken.’
Ze gniffelt. ‘Tja, je neemt jezelf nou eenmaal mee naar zo’n voorstelling.’
‘Er zijn ook voorstellingen waar je jezelf in de garderobe achterlaat’, zeg ik.
‘Tussen de jassen.’
‘Ja, tussen de jassen en tassen.’

OVER DANS&DURF/DANCE&DARE
Essay van Elske van Lonkhuyzen na het zien van Show Me van The100Hands op Theaterfestival Boulevard 2019. Elske is 1 van de deelnemers van de Dance&Dare SummerSchool, een internationaal project voor creatieve schrijvers die nieuwe woorden durven zoeken voor dans en performance, door Domein voor Kunstkritiek & DansBrabant. Lees ook de andere essays op het Engelstalige Blog van DansBrabant